NADIA |
|||||
| Vlaamse overheid - Catalogus Overeenkomsten | |||||
| INHOUD VAN DE DATABANK | |||||
|
INHOUD VAN DE DATABANK
I. De inhoud en opbouw van de overeenkomstencatalogus
Een overzicht van de inhoud van de databank vindt u in een oogopslag via de overeenkomstencatalogus van de intrafederale en de internationale akten waarbij Vlaanderen als partij betrokken is onder de juridische vorm van de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaams Gewest. Al de akten worden vermeld met hun partijen en de datum van hun ondertekening. Voor de verdragen wordt bovendien het verloop van de verdragsprocedure aangegeven, vanaf de ondertekening, eventueel over de parlementaire instemming, tot de ratificatie.
a. In de overeenkomstencatalogus zijn eerst de intrafederale samenwerkingsakkoorden opgenomen (deel 01), ingedeeld in de exclusieve akkoorden, en in de gemengde akkoorden. De exclusieve samenwerkingsakkoorden zijn de akkoorden die door de Vlaamse Regering gesloten werden met andere gemeenschappen en/of gewesten, maar zonder de federale overheid. De gemengde samenwerkingsakkoorden zijn gesloten met de federale overheid en eventueel met andere gemeenschappen en/of gewesten en/of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC).
Volgende indeling wordt gebruikt:
1. Exclusieve intrafederale samenwerkingsakkoorden: - de akkoorden waarbij aan Vlaamse zijde enkel de Vlaamse Gemeenschap partij is; - de akkoorden waarbij aan Vlaamse zijde enkel het Vlaams Gewest partij is.
2. Gemengde intrafederale samenwerkingsakkoorden: - de akkoorden waarbij aan Vlaamse zijde enkel de Vlaamse Gemeenschap partij is; - de akkoorden waarbij de Vlaamse Gemeenschap en de GGC partij zijn; - de akkoorden waarbij de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest partij zijn; - de akkoorden waarbij de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest en de GGC partij zijn; - de akkoorden waarbij aan Vlaamse zijde enkel het Vlaams Gewest partij is; - de akkoorden waarbij enkel de GGC partij is.
Elk van die groepen is chronologisch gerangschikt volgens de datum van ondertekening en bekendmaking van het akkoord (basisakte) in het Belgisch Staatsblad.
b. Na de intrafederale akkoorden volgen delen waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende categorieën van internationale overeenkomsten, waarvan de eerste drie delen verdragen bevatten in de zin van het volkenrecht.
1. Een eerste onderdeel betreft de zogenaamde exclusieve verdragen (deel 02) die Vlaanderen, sinds het over verdragsrechtelijke bevoegdheden beschikt (18 mei 1993), autonoom, zonder de federale overheid, met buitenlandse partners gesloten heeft. Dit tweede deel van de overeenkomstencatalogus is verdeeld over een lijst met de bilaterale en een met de multilaterale verdragen. Elk onderdeel is daarna chronologisch gerangschikt volgens de datum van de ondertekening.
2. Vervolgens
wordt een overzicht gegeven van de zogenaamde gemengde verdragen (deel
03), die dus zowel betrekking hebben op federale bevoegdheden als op gemeenschaps-
en/of gewestbevoegdheden.
Het volgende deel (03.03) bevat de Benelux-verdragen.
De verdragen van de Europese Unie (Gemeenschap én haar lidstaten) (03.04) zijn opgesplitst in drie groepen. De eerste groep zijn de institutionele verdragen. Zij zijn chronologisch gerangschikt volgens de datum van de ondertekening. De tweede groep bestaat uit associatie-, partnerschaps- en samenwerkingsakkoorden. Dergelijke akkoorden zijn respectievelijk gesloten met landen van Centraal- en Oost-Europa (Europa-overeenkomsten), met Balkanlanden (stabilisatie- en associatieovereenkomsten), met landen van het Middellandse Zeegebied (Euromediterrane overeenkomsten), met de republieken van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten) en met andere landen en met internationale organisaties. De eerste vier soorten overeenkomsten zijn elk alfabetisch volgens partnerland gerangschikt, terwijl de overeenkomsten met andere landen en internationale organisaties chronologisch volgens de datum van de ondertekening gerangschikt zijn. Als derde groep volgen de EU-verdragen "varia", chronologisch gerangschikt volgens de datum van ondertekening.
De zetelakkoorden (03.09) staan in chronologische volgorde volgens de datum van ondertekening.
3. Een derde onderdeel van internationale akten, bevat de zgn. culturele akkoorden (deel 04), gesloten door de federale overheid vóór 18 mei 1993, toen de gemeenschappen en gewesten nog niet de bevoegdheid hadden om verdragen te sluiten. De betrokken beleidsdomeinen zijn meestal cultuur, jeugd, sport en media; onderwijs en vorming; ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed; en economie, wetenschap en innovatie. Dit deel van de overeenkomstencatalogus onderscheidt eerst de werelddelen. Binnen elk continent volgen de partners elkaar alfabetisch op. Deze lijst wordt aangevuld met de bilaterale programma's die door Vlaanderen gesloten zijn in uitvoering van die akkoorden voor culturele samenwerking in de ruimste zin.
4. Een vierde onderdeel bestaat uit akten met staten en internationale organisaties die als bindend worden beschouwd, maar niet onderworpen zijn aan het internationale recht of aan een nationale rechtsorde. Het betreft memoranda van overeenstemming (deel 05). Ze worden gerangschikt per partner in alfabetische volgorde.
5. Een vijfde onderdeel van de verzameling van internationale overeenkomsten bestaat uit akten die juridisch bindend zijn, maar niet beantwoorden aan de definitie van het begrip verdrag (deel 06 van de overeenkomstencatalogus). Het gaat vooral om overeenkomsten met buitenlandse overheden die geen volkenrechtelijke rechtspersonen zijn (bvb. Québec of de regio’s van Frankrijk, Spanje of Italië). Als ze gesloten worden tussen twee partijen waarvan er minstens één geen subject is van het volkenrecht, dan hebben deze akkoorden slechts een privaatrechtelijk karakter. Het internationaal privaatrecht regelt dergelijke overeenkomsten. Dit betekent dat een bepaalde nationale rechtsorde ze zal beheersen, die ofwel uitdrukkelijk of impliciet gekozen is door de partijen, ofwel bij een geschil aangegeven wordt door het aangesproken rechtscollege. De Raad van State in België beklemtoonde dit door deze overeenkomsten te typeren als 'transnationale contracten' . Ze volgen elkaar op per partner in alfabetische volgorde.
6. Het zesde en laatste deel van de overeenkomstencatalogus (07) bevat de lijst van beleidsverklaringen die door de Vlaamse Regering zelf of door haar leden met een buitenlandse partner onderschreven werden. Deze akten zijn van een louter politieke aard, ze hebben geen juridisch bindende waarde. Ze zijn vermeld per partner in alfabetische volgorde.
II. Verklaring van gebruikte termen
De beleidsdomeinen zijn de 13 domeinen die na de reorganisatie “Beter Bestuurlijk Beleid” (BBB) van de Vlaamse overheid gehanteerd worden: - bestuurszaken - buitenlands beleid, internationale samenwerking, internationaal ondernemen en toerisme - cultuur, jeugd, sport en media - het algemeen regeringsbeleid - economie, wetenschap en innovatie - financiën en begroting - landbouw en visserij - leefmilieu, natuur en energie - mobiliteit en openbare werken - onderwijs en vorming - ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed - welzijn, volksgezondheid en gezin - werk en sociale economie
Onder landen wordt onafhankelijke staten verstaan.
Regio’s zijn geografische gebieden met een bepaalde politieke autonomie.
De organisaties zijn de internationale organisaties door landen en/of regio’s opgericht, in het kader waarvan verdragen of andere internationale overeenkomsten gesloten worden.
Taal bevat de authentieke talen waarin een verdrag of overeenkomst gesloten wordt.
In een dossier kunnen verscheidene beleidsdomeinen, regio’s, landen, organisaties en talen ingevuld zijn.
III. Wat is een intrafederaal samenwerkingsakkoord ?
Het ontstaan van een federaal systeem in België heeft tot gevolg dat de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten als evenwaardige partners met elkaar overeenkomsten kunnen sluiten met het oog op samenwerking. Die samenwerkingsakkoorden slaan bijvoorbeeld op gemeenschappelijke diensten, op het gezamenlijk uitoefenen van bevoegdheden of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven. Artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (BWHI) voorziet in een aantal domeinen waarvoor verplicht een samenwerkingsakkoord moet gesloten worden. Voor andere aangelegenheden kunnen samenwerkingsakkoorden gesloten worden, maar zijn ze niet verplicht.
De intrafederale samenwerkingsakkoorden worden meestal gesloten door regeringen. De akkoorden moeten door de bevoegde parlementen goedgekeurd worden indien ze aangelegenheden inhouden te regelen bij wet, decreet of ordonnantie, de betrokken overheden financieel bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden. Slechts na de instemming van al de betrokken parlementen kunnen zulke akkoorden in werking treden. Hun procedure tot goedkeuring lijkt dus erg op die van internationale overeenkomsten (ondertekening met daaropvolgende parlementaire instemming). Andere samenwerkingsakkoorden hoeven niet door het parlement goedgekeurd te worden, maar komen door de loutere ondertekening tot stand.
IV. Wat is een verdrag en wat zijn andere types van internationale overeenkomsten?
In de overeenkomstencatalogus wordt, binnen de internationale overeenkomsten, een onderscheid gemaakt tussen verdragen en andere types van internationale overeenkomsten. Het internationale gewoonterecht definieert een verdrag als “elk akkoord (d.w.z. een overeenkomst van wilsuitingen), gesloten tussen twee of meer subjecten van het volkenrecht met de bedoeling rechtsgevolgen teweeg te brengen en beheerst door het volkenrecht”.
In het internationaal recht is niet de benaming, maar wel de wil om zich te verbinden (Eng., de "consent to be bound", Lat., de “animus contrahendi”), van determinerend belang om de internationale rechtskracht van een bepaalde akte te kunnen inschatten. Zodra die wil er wederzijds is, bestaat er een overeenkomst. Of dat bindend karakter een juridische weerslag heeft, moet tevens blijken uit de inhoud van de akte.
Essentieel is dat de partijen hetzij onafhankelijke staten zijn, hetzij deelstaten waaraan door hun nationale staatsrecht de bevoegdheid om verdragen te sluiten toegekend is (zoals in België of in Duitsland) of internationale organisaties, die elk de bedoeling hebben rechten te verwerven en/of verplichtingen aan te gaan (rechtsgevolgen veroorzaken). Die partijen zijn de drie soorten van volkenrechtelijke subjecten. De laatste twee soorten zijn zgn. afgeleide subjecten van het volkenrecht, omdat ze bevoegd gemaakt zijn via de tussenkomst van onafhankelijke staten, respectievelijk via de Grondwet van een staat of via een organiek verdrag tussen staten.
Een internationale overeenkomst is ten slotte enkel een verdrag wanneer de partijen ervoor gekozen hebben om haar te laten beheersen door het volkenrecht (ook wel “internationaal publiekrecht” of “internationaal recht” genoemd). Voor verdragen tussen staten werden deze regels (wilsbekwaamheid om een verdrag te sluiten, inwerkingtreding, interpretatie, mogelijkheid om voorbehouden te formuleren, opzegging en opschorting) gecodificeerd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, opgemaakt in Wenen op 23 mei 1969 (Weens Verdragenverdrag). Deze regels worden beschouwd als een reflectie van het internationale gewoonterecht en worden, mutatis mutandis, toegepast op verdragen van andere subjecten van internationaal recht, zoals de exclusieve verdragen van de Vlaamse overheid.
Als de internationale overeenkomst niet beantwoordt aan de criteria van een verdrag, dan gaat het om andere types van overeenkomst. We onderscheiden in deze overeenkomstencatalogus drie types: overeenkomsten die door de partijen niet aan het internationale recht zijn onderworpen maar die zij toch als (minstens moreel) bindend beschouwen (memoranda van overeenstemming) overeenkomsten die beheerst worden door het nationale publiekrecht of het nationale privaatrecht van één van de betrokken staten en die meestal gesloten worden met overheden die geen verdragsbevoegdheid hebben (transnationale contracten), en documenten die niet zozeer een wilsovereenstemming vormen maar eerder een gemeenschappelijke beleidsvisie formuleren (beleidsverklaringen).
V. Hoe komt een verdrag tot stand ? Hoe verloopt de verdragsprocedure ?
Sinds de grondwetsherziening van 1993, is bij de procedure om een verdrag te sluiten de tussenkomst van elk bevoegd parlement dwingend. De verdragsprocedure verschilt naargelang het om een exclusief, dan wel een gemengd verdrag gaat.
De regeringen van de gemeenschappen en gewesten zijn quasi soeverein bevoegd om verdragen te sluiten die uitsluitend betrekking hebben op gemeenschaps-, respectievelijk gewestbevoegdheden. Om de coherentie van het buitenlands beleid te vrijwaren kan de federale overheid zich evenwel verzetten tegen bepaalde verdragsinitiatieven van de gemeenschappen en gewesten. De bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 bepaalt sinds 1993 een specifieke procedure die de federale regering toelaat controle uit te oefenen op het sluiten van exclusief gefedereerde verdragen (artikel 81, §§ 1-4, BWHI). Daarom zijn de gefedereerde overheden verplicht de federale regering in te lichten over hun intenties met betrekking tot het sluiten van exclusieve verdragen.
De federale ministerraad moet op de hoogte gebracht worden van elke stap in de verdragsprocedure die een gefedereerde regering zich voorneemt te zetten. De Vlaamse Regering volgt hiervoor een specifieke procedure.
De federale overheid heeft de bevoegdheid om hiertegen bezwaar aan te tekenen. In voorkomend geval wordt de verdragsprocedure geschorst en wordt in de Interministeriële Conferentie voor Buitenlands Beleid (ICBB) bij consensus beslist. Indien er geen consensus ontstaat, dan kan de federale regering de voortzetting van de verdragsprocedure slechts blijven beletten in vier extreme gevallen:
1. de buitenlandse partner in spe is door België niet erkend,
2. België onderhoudt geen diplomatieke betrekkingen met die partner,
3. uit een beslissing of een handeling van de federale overheid blijkt dat de betrekkingen tussen België en de buitenlandse partner verbroken, geschorst of ernstig verstoord zijn, of
4. het ontworpen verdrag zou in conflict komen met internationale of supranationale verplichtingen van België.
De totstandkoming van zogenaamde gemengde verdragen is krachtens artikel 167, §4 van de Grondwet, en in uitvoering van artikel 92bis, §4 ter BWHI, verfijnd door een "Samenwerkingsakkoord tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen" (8 maart 1994). Dat Samenwerkingsakkoord is in de databank opgenomen.
Hieronder worden de opeenvolgende fasen van een verdragsprocedure doorlopen.
1. Onderhandelingen en paraferingen.
De zgn. parafering van een onderhandelde tekst heeft geen juridische waarde, noch intern, noch internationaal, tenzij de Vlaamse Regering de onderhandelingsdelegatie formeel gemachtigd heeft om haar te binden. Dit gebeurt in de praktijk niet voor verdragen: de parafering van de tekst is gewoonlijk slechts de formele afsluiting van de onderhandelingen tussen de delegaties, zodat alles in gereedheid kan gebracht worden voor de ondertekening (en de eventueel daarmee gepaard gaande ceremonie).
a. Exclusieve verdragen.
* De Vlaamse Regering beslist onderhandelingen aan te vatten. Ze deelt dit voornemen binnen vijf werkdagen mee aan de federale ministerraad.
* De Vlaamse Regering keurt de onderhandelde tekst goed, machtigt haar vertegenwoordiger hem te ondertekenen en deelt deze beslissing mee aan de federale ministerraad.
b. Gemengde verdragen.
* De overheden, zowel de federale als de gefedereerde, die zich voorgenomen hebben om een gemengd verdrag te sluiten, brengen de ICBB hiervan op de hoogte.
* De ICBB en meer bepaald de door haar opgerichte Werkgroep 'gemengde verdragen' (WGV) stelt het gemengde karakter van het beoogde verdrag vast, en bepaalt de samenstelling van de Belgische onderhandelingsdelegatie.
* De onderhandelingen verlopen onder de coördinerende leiding van het federale ministerie van Buitenlandse Zaken.
* De Vlaamse Regering keurt de onderhandelde tekst goed, net zoals de andere betrokken regeringen en beslist de verdragstekst te laten ondertekenen (zie infra nr. 2).
2. Ondertekening.
In het volkenrecht betekent de ondertekening van een verdrag dat de partij zich ertoe verbindt geen handelingen te ondernemen die een verdrag zijn voorwerp of doel zouden ontnemen. Een ondertekening is dus internationaal helemaal niet vrijblijvend. Normaal gesproken betekent een ondertekening nog geen definitieve binding aan het verdrag; een staat verbindt zich in de meeste gevallen pas na een tweede akte, de bekrachtiging of ratificatie. In België is dat steeds het geval, aangezien onze Grondwet verplicht dat een verdrag pas gevolgen kan hebben nadat ook parlementair ermee ingestemd is.
a. Exclusieve verdragen.
De Vlaamse Regering beslist het verdrag te ondertekenen. Zij deelt deze beslissing mee aan de federale ministerraad. De Vlaamse regering duidt de ondertekenende minister(s) aan.
b. Gemengde verdragen.
In principe worden gemengde verdragen ondertekend door de minister van Buitenlandse Zaken (of een gevolmachtigde vertegenwoordiger) en een door de betrokken gewest- en/of gemeenschapsregering aangewezen minister (of een gevolmachtigd vertegenwoordiger). Indien de ondertekening in het buitenland plaats vindt, kan de Belgische ambassadeur gemachtigd worden te ondertekenen voor de betrokken regeringen. Niets belet echter dat een vertegenwoordiger van een deelregering ondertekent naast een federale of een andere vertegenwoordiger van een deelstaat.
Voor vele buitenlandse partners is medeondertekening van een verdrag door deelregeringen geen evidentie. Vooral in het kader van multilaterale verdragen schept dit soms moeilijkheden. Indien de verdragspartners bezwaar opperen tegen het principe van de medeondertekening door de gefedereerde regeringen, zal de ICBB een oplossing zoeken aan de hand van een aantal ondertekeningswijzen dat door de WGV op 8 juni 1994 aanvaard werd en dat bekrachtigd is door de ICBB op 17 juni 1994.
Naast de principiële medeondertekening, worden nog vier alternatieve 'ondertekeningsformules' overeengekomen tussen de leden van de ICBB:
formule 1. Medeondertekening (basisprincipe zoals voorzien in artikel 8 van het bovenvermelde Samenwerkingsakkoord).
formule 2. Eén enkele ondertekening, door een federale, gewest- of gemeenschapsminister, of een andere gemachtigde, met volmachten van alle betrokken overheden en in naam van alle betrokken overheden, d.w.z. met vermelding ervan boven de handtekening (dit is de zgn. "Marrakech-formule", nl. de ondertekening van het akkoord inzake de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie).
formule 3. Eén enkele ondertekening, door een federale, gewest- of gemeenschapsminister, of een andere gemachtigde, met volmachten van alle betrokken overheden, in naam van het Koninkrijk België, doch met vermelding van alle andere betrokken entiteiten onder de handtekening.
formule 4. Eén enkele ondertekening, door een federale, gewest- of gemeenschapsminister, of een andere gemachtigde, met volmachten van alle betrokken overheden, enkel in naam van het Koninkrijk België, met (voorlezing en) neerlegging van een verklaring bij de ondertekening waarin alle gebonden entiteiten opgesomd worden.
formule 5. Eén enkele ondertekening, door een federale, gewest- of gemeenschapsminister, of een andere gemachtigde, met volmachten van alle betrokken overheden, enkel in naam van het Koninkrijk België en zonder verklaring bij de ondertekening.
In een aantal gevallen wordt bij multilaterale verdragen de fase van de ondertekening overgeslagen, bijvoorbeeld bij verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, die door de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen worden en aan de lidstaten voorgelegd worden, of wanneer een multilateraal verdrag voorziet dat het slechts in een bepaalde periode kan ondertekend worden, en deze periode inmiddels verstreken is. In dat geval wordt in het kader van de WGV enkel het gemengde karakter van het verdrag vastgesteld, en wordt vervolgens onmiddellijk de procedure voor parlementaire instemming ingezet. Men spreekt dan nadien ook niet van een bekrachtiging of ratificatie maar van een toetreding tot het verdrag.
3. Instemming door de betrokken parlementen.
De parlementaire instemming is een vorm van parlementair toezicht op het sluiten van verdragen en heeft tot doel een verdrag toe te laten tot de interne rechtsorde. De parlementaire instemming is weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor de uitwerking van het verdrag in de interne rechtsorde. Het verdrag moet immers daarna nog geratificeerd worden (infra, nr. 4) en moet ook internationaal in werking getreden zijn. Een parlementaire instemming verplicht de regering niet te ratificeren: regeringen sluiten verdragen (artikel 167, Grondwet).
Exclusieve verdragen worden aan het Vlaams Parlement ter goedkeuring voorgelegd. Een ontwerp van decreet wordt door de Vlaamse Regering ingediend. Gemengde verdragen hebben pas juridisch gevolg na de instemming van beide federale kamers én (de) deelstaatparlementen.
De verschillende stappen in de totstandkoming van een decreet zijn in beide gevallen:
Tot slot moeten, volgens het Samenwerkingsakkoord inzake het sluiten van gemengde verdragen, de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten elkaar informeren over de instemming van hun parlementen. Bij exclusieve verdragen zal de Vlaamse Regering de federale overheid op de hoogte stellen bij de verschillende regeringsbeslissingen in dit proces. Ze zal telkens het verloop van de wettelijke termijn moeten afwachten, waarover de federale overheid beschikt om bezwaar aan te tekenen, vooraleer de Regering een volgende beslissing kan nemen.
4. Ratificatie.
De ratificatie is de volkenrechtelijke handeling waardoor de regering die de grondwettelijke bevoegdheid tot het sluiten van verdragen heeft, ermee instemt dat het verdrag tussen de partijen definitief en volkomen bindend wordt, en er zich plechtig toe verbindt het ook na te leven. De regeringen alleen nemen hierover de politieke beslissing, want zij sluiten de verdragen. Zij zijn niet verplicht te ratificeren, zelfs al heeft hun parlement met het verdrag ingestemd. Wanneer het gaat om een verdrag dat niet eerst ondertekend werd, spreekt men meestal van een toetreding (supra), maar ook van een aanneming. Nog andere termen kunnen gebruikt worden om deze rechtshandeling te omschrijven, volgens de bepalingen van het verdrag in kwestie.
Bilaterale verdragen worden doorgaans geratificeerd door de uitwisseling van akten van bekrachtiging of ratificatie (oorkonden); de ratificatie van multilaterale verdragen komt tot stand door het neerleggen van de ratificatieakten bij een daartoe aangestelde depositaris.
a. Exclusieve verdragen.
De betrokken gemeenschaps- en gewestregeringen zijn zelf bevoegd voor de ratificatie. Zij bepalen of en wanneer geratificeerd wordt. Zij kiezen in overeenstemming met de buitenlandse partner, eventueel zoals bepaald in het verdrag, de vorm waarin deze ratificatie en notificatie ervan moet gebeuren.
b. Gemengde verdragen.
Nadat de parlementen van alle bij het sluiten van het verdrag betrokken overheden daarmee hun instemming betuigd hebben, ratificeert de Koning (de federale regering) de gemengde verdragen, wanneer hij dat opportuun acht.
5. Inwerkingtreding.
Het is niet mogelijk om in abstracto te zeggen wanneer een verdrag internationaal in werking treedt. In de meeste gevallen zal het verdrag zelf een bepaling van inwerkingtreding bevatten. Deze stelt bij de meeste multilaterale verdragen dat het verdrag in werking zal treden wanneer een bepaald aantal staten het geratificeerd hebben (gebruikelijk in de context van de Verenigde Naties en de Raad van Europa) of wanneer alle partijen het geratificeerd hebben (gebruikelijk bij bilaterale verdragen, bij BLEU-investeringsovereenkomsten, bij institutionele verdragen van de Europese Unie en bij verdragen van de Benelux). Het verdrag kan bepalen dat het verdrag onmiddellijk na het bereiken van dit quorum in werking treedt of het kan een bepaalde termijn voorzien.
De internationale inwerkingtreding van een verdrag is niet noodzakelijk de internationale inwerkingtreding voor België. Wanneer het verdrag de ratificatie door alle staten bijvoorbeeld niet als vereiste stelt voor de inwerkingtreding, dan is het goed mogelijk dat het verdrag al internationaal in werking getreden is tussen een aantal staten, maar nog niet voor België. Voor ons land zal dat dan pas het geval zijn wanneer het zelf geratificeerd heeft.
De internationale inwerkingtreding moet tot slot nog onderscheiden worden van die t.o.v. de bestuurden naar intern recht. Elke rechtsnorm moet immers op de wettelijk bepaalde wijze bekendgemaakt worden om ook voor hen bindend te zijn. Exclusieve verdragen worden door de Vlaamse overheid bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Gemengde verdragen worden samen met de instemmingswet door de federale overheid bekendgemaakt in het Staatsblad. Ook de bijlagen bij een verdrag, de data van ratificatie en inwerkingtreding en eventuele voorbehouden worden mee bekendgemaakt. De bekendmaking dient te gebeuren in minstens één authentieke versie van het verdrag en, indien er in een van de landstalen geen authentieke versie bestaat, in een Nederlandse en Franse vertaling.
|